College voor zorgverzekeringen.
Directe link naar zoek. Directe link naar navigatie.

Voorzieningen bij verblijf

Als een verzekerde in een AWBZ-instelling verblijft, komen een aantal voorzieningen die normaal voor zijn eigen rekening zijn, ten laste van de instelling. Er zijn geen algemeen geldende regels voor het benodigde niveau van voorzieningen.

Het is redelijk een beroep te doen op de eigen mogelijkheden van verzekerden. De AWBZ is immers bedoeld als aanvulling op iemands eigen mogelijkheden. Zeker bij jongere mensen is het belangrijk dat ze zoveel mogelijk zelfredzaam zijn. Wel kunnen de mogelijkheden van persoon tot persoon verschillen. Zo kunnen licht verstandelijke gehandicapten nog zelfstandig sociale contacten onderhouden en buitenshuis meedoen met recreatieve activiteiten. Een ouder persoon met sterk verlies van zelfregie en ernstige fysieke beperkingen is hiertoe niet meer in staat.

In hoeverre een instelling faciliteiten als een restaurant, winkel, kapsalon, café, dierenpark, stilteruimte, snoezelruimte, biljartkamer of sportaccommodatie biedt, hangt af van de eigen mogelijkheden van de doelgroep en de bouwkundige en financiële mogelijkheden van de instelling.

Verantwoorde zorg

De instelling is op grond van artikel 2 van de Kwaliteitswet zorginstellingen verplicht ‘verantwoorde zorg’ te leveren: zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en patiëntgericht wordt verleend en die afgestemd is op de reële behoefte van de patiënt.

Het zorgplan dat de instelling met de verzekerde opstelt, is de leidraad voor de beoordeling of er sprake is van verantwoorde zorg. Het Toetsingskader voor Verantwoorde Zorg, opgesteld door partijen in de zorg in overleg met VWS, de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Zorgverzekeraars Nederland, kan ook behulpzaam zijn bij het beoordelen van de ondergrens van verantwoorde zorg.

Outillagemiddelen

Een instelling die AWBZ-verblijf aanbiedt, moet zijn toegerust voor het bieden van de zorg die het volgens zijn doelstelling verleent. Dat wil zeggen dat bepaalde voorzieningen voor bewoners (standaard) aanwezig moeten zijn, als outillage (uitrusting, materieel) voor het verblijf en de zorgverlening in de instelling. Zie voor meer informatie over outillagemiddelen en andere hulpmiddelen de rubriek 'Hulpmiddelen in een instelling'.

Inrichting van kamer/appartement

AWBZ-zorg met verblijf is altijd zorg in natura. Een instelling die verblijf biedt moet dat verblijf ook mogelijk maken. Dat betekent dat de instelling moet zorgen voor een eenvoudige, adequate inrichting van de kamer.

Vaak bieden instellingen verzekerden de mogelijkheid om de kamer of het appartement zelf geheel of gedeeltelijk in te richten. Als de verzekerde dat ook wenst, komen de kosten voor de eigen inrichting voor rekening van de verzekerde. Als een nieuwe bewoner zijn kamer niet zelf wil of kan inrichten, om welke reden dan ook (financieel of anderszins), dan moet de instelling voor een eenvoudige, adequate inrichting van de kamer zorgen.

Als de instelling bepaalde woonelementen verplicht stelt, bijvoorbeeld een hoog-laag bed, dan komen de kosten voor rekening van de instelling.

Als de instelling de verzekerde een andere kamer of appartement wil laten betrekken, komen de kosten van de verhuizing ten laste van de instelling.

Schoonmaak

Het schoonhouden van het appartement of de kamer en de gemeenschappelijke en openbare ruimten maakt onderdeel uit van de functie verblijf. Voor zover een verzekerde taken zelf kan uitvoeren, bijvoorbeeld jonge mensen in een gezinsvervangende voorziening, kan hij daarbij worden ingeschakeld.

Voeding

Voeding hoort bij verblijf. Het gaat om alle gebruikelijke voeding. Naast alle maaltijden omvat het ook voldoende drinken, tussendoortjes, fruit, koffie, thee en dergelijke. De voeding moeten voldoen aan de basale kwaliteitseisen van bijvoorbeeld het Voedingscentrum.

Een medisch noodzakelijk dieet behoort ook tot de aanspraak op verblijf.

Ook medisch noodzakelijke voedingssupplementen zoals een voedingsverdikkingsmiddel horen tot de aanspraak.
Medisch niet noodzakelijke diëten en voeding die voldoet aan religieuze eisen hoort niet tot de aanspraak. Het is aan de instelling om daarin al dan niet te voorzien.

Verzekerden die daartoe in staat zijn, kunnen worden betrokken bij de maaltijdbereiding en het boodschappen doen, bijvoorbeeld bij een kleinschalige woonvorm.

AWBZ-aanspraken zijn aanspraken in natura. Als de verzekerde ermee instemt, en het vanuit het oogpunt van verantwoorde zorg redelijk is, kan voor de broodmaaltijden restitutie van een geldbedrag overeengekomen worden. De verzekerde kan echter altijd levering in natura eisen.

Verzekeringen

Ieder is verantwoordelijk voor het verzekeren van zijn eigen risico’s. De instelling is verantwoordelijk voor de verzekering van de opstal en inventaris voor zover zij daar eigenaar van is. De verzekerde is verantwoordelijk voor de eigen aansprakelijkheidsverzekering, verzekering van de eigen inboedel, zorgverzekering en dergelijke. De meeste instellingen bieden de mogelijkheid om tegen betaling gebruik te maken van een collectieve verzekering.

Televisie en telefoon

De instelling moet de mogelijkheid bieden televisie te kijken, al dan niet in een gemeenschappelijke ruimte. Als er sprake is van een eigen verblijfsruimte is het gebruikelijk dat er aansluitingen voor televisie en telefoon zijn. De abonnementskosten komen ten laste van de verzekerde, de energiekosten niet.

Energiekosten

Kosten voor gas, water en licht zijn voor rekening van de instelling. Daaronder vallen ook extra energiekosten voor persoonlijke zaken van de verzekerde zoals het opladen van een scootmobiel.

Geestelijke verzorging

In een instelling moet geestelijke verzorging beschikbaar zijn die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de patiënten of cliënten.

Geestelijke verzorging heeft drie aspecten:

  • begeleiding bij coping en zingeving, de manier waarop iemand omgaat met ziekte en beperkingen, deze accepteert en daar zin aan geeft;
  • het bieden van een vrijplaats, de mogelijkheid te spreken over de zorg en de eigen situatie met iemand die de instelling goed kent, maar daar geen terugkoppeling aan hoeft te geven;
  • begeleiding bij religie en spiritualiteit.

De instelling kan zelf bepalen hoe de geestelijke verzorging precies wordt aangeboden. Eigen mogelijkheden van verzekerden om te participeren in de lokale geloofsgemeenschap (bijvoorbeeld bij kleinschalige woonvormen) kunnen daarbij een rol spelen. De beschikbaarheid van geestelijke verzorging is vastgelegd in de Kwaliteitswet zorginstellingen (artikel 3).

Welzijn en recreatie

Tot het verblijf behoort ook enige mate van recreatie. De invulling hangt af van de zelfredzaamheid van de verzekerde en de mate waaraan hij deel kan nemen aan recreatieve en sociaal-culturele activiteiten.

Kopen en herstellen van kleding

In principe dragen verzekerden in een instelling hun eigen kleding. Ze zijn zelf verantwoordelijk voor de aanschaf en het herstel van hun kleding als ze daartoe in staat zijn. Als dit als gevolg van handicap of beperkingen niet mogelijk is, dan zal de instelling ervoor moeten zorgen dat er kleding wordt aangeschaft en dat kleding wordt hersteld, omdat het onderdeel is van de zorg aan deze verzekerde. De instelling kan daarvoor een dringend beroep op de familie doen. Maar als de familie om wat voor reden dan ook weigert, dan is het aan de instelling om de bewoner hulp te bieden bij het kopen en herstellen van kleding. De instelling bepaalt de manier waarop. De kosten van aanschaf en herstel zijn voor rekening van de verzekerde.

Wassen van linnen en kleding

Het wassen van bedlinnen, handdoeken en dergelijke komt ten laste van de instelling.
Het wassen en stomen van de eigen kleding (ondergoed en bovenkleding) moet een verzekerde zelf betalen. Alleen als de kleding vanwege de aandoening van de verzekerde vaker verschoond moet worden dan gebruikelijk is, of als de kleding door de instelling is verstrekt, komen de extra waskosten ten laste van de AWBZ, dus ten laste van de instelling.
De instelling moet er voor zorgen dat de verzekerde de mogelijkheid heeft zijn kleding te wassen of te laten wassen. Tot het wassen behoort ook het strijken en vouwen. Het opruimen en verzamelen van de was komt ten laste van de instelling voor zover de verzekerde er zelf niet toe in staat is.

Uitzondering: voor bewoners die al vóór 1 januari 2009 in een ‘verzorgingshuis’ verbleven, blijft het wassen van het ondergoed en de wasbare bovenkleding tot de aanspraak behoren, zoals vóór 1 januari 2009 het geval was (overigens bestaat de term ‘verzorgingshuis’ formeel niet meer: bedoeld zijn de instellingen die zich richten op verzekerden met een somatische of psychogeriatrische grondslag die zorg met verblijf nodig hebben zónder behandeling).

Als de zorgbehoefte van een bewoner die al vóór 1 januari 2009 in een verzorgingshuis woonde toeneemt, kan er een nieuwe situatie ontstaan die vergelijkbaar is met verpleeghuisbewoners die de waskosten zelf moeten betalen. De bewoner gaat dan net als de verpleeghuisbewoners zelf de waskosten betalen (uiteraard met uitzondering van de extra waskosten).
Er is sprake van zo’n nieuwe situatie als er aan drie criteria wordt voldaan: de bewoner

  • krijgt een nieuw ZZP mét behandeling,
  • én krijgt de behandeling geleverd door de verblijfsinstelling (art. 15 Bza van toepassing);
  • én verhuist naar een andere kamer, afdeling of instelling.

Zie voor voorbeelden het document 'Waskosten verzorgingshuisbewoners'.

Zorg na overlijden

Het schouwen, gereedmaken voor transport en tijdelijk koelen na het overlijden van een verzekerde, hoort tot de aanspraak op verblijf. Het afleggen en opbaren zijn voor rekening van de familie.

Deze pagina is geactualiseerd op: 02 oktober 2012